Vrijwillige energie

Prof. dr. Lukas Meijs bracht een lezing over vrijwillige energie en hoe die om te zetten in vrijwilligerswerk. We delen hier de belangrijkste inzichten van zijn relaas. Hier vind je zijn presentatie. 

Over vallende geiten

“Weet je dat er van die geiten zijn die omvallen van zodra je hen doet schrikken. Dat is de zogenaamde Tennessee faking goat. Die heeft een dna probleem, waardoor ze flauwvallen onder stress.

Die geit die staat voor ons voor de mensen die geen vrijwilligerswerk doen. Dat zijn de mensen die, als je ze vraagt wil je vrijwilligerswerk doen in onze vereniging, boem! iemand moet de bar doen, boem! En het grappige is veel van ons vrijwilligerswerkbeleid gaat niet over de faking goats maar is gebaseerd op al die mensen die wel ja zeggen.”

Wie zijn de niet vrijwilligers?

“We maken een onderscheid tussen de nooit-vrijwilliger, in ons geval gedefinieerd als mensen die de laatste 5 jaar geen vrijwilligerswerk hebben gedaan, en de nu-even-niet-vrijwilliger. Je begrijpt dat zijn twee totaal verschillende groepen vanuit het perspectief van een vrijwilligerscentrale. Want de nu-even-niet-vrijwilliger, die heeft dat gen niet. Als je ze verkeerd benadert, hebben ze het zo druk. Maar die nog-nooit-vrijwilliger die kijkt je echt aan alsof je knettergek bent.

De nooit-vrijwilligers hebben vaak helemaal een verkeerd beeld van vrijwilligerswerk. Zo was er iemand die er werkelijk van overtuigd was dat vrijwilligerswerk onmogelijk te combineren was met een betaalde job aangezien je dat ook 40 uur per week doet. Of anderen die denken dat ze geen vrijwilligerswerk mogen doen omdat ze een keer door het rood hebben gereden.”

Volunteerability

Lukas geeft ons een advies: “Praat niet meer over vrijwilligerswerk als je wilt nadenken over hoe we meer vrijwilligers creëren, maar denk in de termen van vrijwillige energie.

Zorg ervoor dat die vrijwillige energie komt en dat die ook duurzaam is en dat die blijft komen. Help mensen die vrijwillige energie te vertalen in vrijwilligerswerk.”

“Die vrijwillige energie moet je duiden als volunteerability. We hebben de term employability vertaald naar volunteerability. Wat maakt de mensen volunteerable? Wat maakt het voor de mensen mogelijk om vrijwillige energie te presenteren? Dit berust op 3 bouwstenen: ze moeten een bereidheid hebben, ze moeten een beschikbaarheid hebben en ze moeten een bekwaamheid hebben.

De nu-niet-vrijwilligers lopen vaak vast op: wat je me nu vraagt dat wil ik gewoon niet doen (vb. ‘Ik wil niet met zwaar gehandicapten werken maar als je me vraagt om iets met dieren te doen dan wel’). De nu-niet-vrijwilligers zeggen gewoon van we komen er nu even gewoon niet toe. Dan weet je dat als je bijvoorbeeld een paar maanden later komt dat ze het wel zullen willen doen. Mensen doen vrijwilligerswerk ook volgens hun bekwaamheid. Voelen ze zich er wel toe in staat?

“Als we die vrijwillige energie willen vergroten dan moeten we die volunteerability meten en niet hoeveel vrijwilligers heeft ons dorp. Het turven van het aantal vrijwilligers is wel interessant om te weten of het beleid gewerkt heeft maar niet om er een beleid mee op te stellen.”

Bronnen van vrijwillige energie

“In de kerk kwamen vroeger drie elementen bij elkaar: een pastoor of dominee die preekt over een bepaalde zaak (bv. eenzaamheid), de organisatie die ook in die kerk zat en zei van: ‘bij ons kan je wat doen’, en de gelovige. Zo komen er drie zaken bij elkaar: een normatief appel, een bekende vrager en een betrouwbare organisatie.

Nu is het de vraag: hoe kunnen we die oude klassieke vindplaats en bron, een kerk, het kerkplein, een café aan de overkant, vervangen door andere bronnen, andere vindplaatsen, andere redenen om het te doen?

Je kunt vrijwillige energie halen uit dingen die toch moeten gebeuren. Family volunteering wordt verkocht als quality time. Je bent bijvoorbeeld een nu-niet-vrijwilliger en je wilt wel vrijwilligen maar je beschikbaarheid is laag, dan moeten we vrijwilligerswerk dan zien te koppelen met iets dat je toch wilt doen of moet doen, eten, tijd met de kinderen doorbrengen, …

Hoe kun je die bronnen laten ontstaan? Lukas geeft een aantal voorbeelden uit Nederland:

  • vrijwilligerscentrale Den Haag, die rond kerst een tent neerzet in het grote winkelcentrum/winkelgebied om daar kerststukjes te maken en vrijwilligers buiten laat staan om moeders en hun dochters aan te spreken. ‘Hebt u zin in een kopje koffie, wil je ook eens wat leuk doen? We hebben binnen koffie met appeltaart door vrijwilligers gebakken. Je kunt daar kerststukjes maken die we daarna naar verzorgingshuizen brengen naar ouderen die eenzaam zijn’. Zo kom je dan heel veel nog-nooit vrijwilligers tegen.
  • Dan is er nog de feelgoodbus die je ergens naartoe brengt en je daar afzet zodat je er vervolgens vrijwilligerswerk kunt doen. Ze vertellen niet waar naar toe, wat en met wie je gaat doen je het gaat doen. Toch heeft dit initiatief heel veel succes.”

Explosie van vrijwillige energie

In een samenleving produceren we met z’n allen vrijwillige energie. We staan klaar om het te produceren, Als er dan iets gebeurt, bijvoorbeeld een vluchtelingenstroom komt op of er is ergens een aardbeving, spuit het de grond uit. We willen massaal helpen maar we staan dan vaak niet klaar om het in vrijwilligerswerk om te zetten.

Daar moet je dus alle organisaties op voorbereiden, zodat ze klaar staan voor die spontanious volunteers. Dan moet je dingen bedenken die op dat moment wel kunnen als mensen zo’n spontaan vrijwilligerswerk willen doen.

Wat kunnen we hieruit leren voor Vlaanderen?

  • Besteed in je vrijwilligerswerkbeleid niet enkel aandacht aan vrijwilligers maar ook aan de niet-vrijwilligers. Hoe kunnen we de volunteerability van niet-vrijwilligers verhogen? 
  • Zet creatieve acties op om mensen de weg te leiden richting het vrijwilligerswerk. Doe dit op plekken en momenten waarop je een groot aantal niet-vrijwilligers aanspreekt.
  • Denk er over naar hoe organisaties en het lokale bestuur beter klaar kunnen staan om (onverwachte) explosies van vrijwillige energie een plek te geven in het vrijwilligerswerk.